![]() |
![]() |
![]() |
![]() |
|
|
De Wilde narcis is het wilde broertje van de bekende paasbloemen. Deze soort is in Vlaanderen zeer zeldzaam (en twijfelachtig inheems) en bloeit vooral in niet te dichte vochtige loofbossen of graslanden in de leemstreek. Wilde narcissen hebben uitgesproken bleke bladslippen en een heldergele buisvormige bijkroon. Hierdoor kan je ze onderscheiden van de gecultiveerde paasbloemen, die ook iets forser zijn. Om echt zeker te zijn, moet je de planten echter genetisch onderzoeken, omdat beide planten kunnen kruisen. Maar aangezien de planten in Wijgmaalbroek ver van tuinen groeien en in zijn natuurlijke groeiplaats voorkomt, veronderstellen we dat het hier om de echte oervorm gaat.
|
Dotterbloemen zijn echte moerasplanten, met grote dooiergele bloemen. De woorden dotter en dooier houden oorspronkelijk verband met elkaar. Ze groeien alleen in zones met zuurstofrijk water, net boven of onder de bodem. Geschikte groeiplaatsen zijn oevers van plassen, beken of rivieren of kwelzones waar voortdurend grondwater opborrelt. Ze komen zowel voor in natte hooilanden als in moerasbossen. Dotterbloemen produceren naast nectar ook zeer veel stuifmeel, waardoor ze veel insecten aantrekken.
|
In de lente kleuren de bossen van het Wijgmaalbroek prachtig wit dankzij deze bekende lentebloeier. De plant groeit ondergronds met een kruipende wortelstok. Deze bevat zeer veel reservevoedsel waardoor de plant vroeg in het voorjaar kan uitlopen, voor de bomen een dicht bladerdek gevormd hebben. Zo kunnen de bosanemonen groeien op plaatsen waar de schaduw van het bos in de zomer de groei van andere planten belet. Bosanemonen zijn een typische soort van oude loofbossen op voedselrijke bodems. In Wijgmaalbroek kan je de historische hakhoutbosjes dan ook snel onderscheiden van jongere bosaanplanten op voormalige hooilanden, waarin de soort ontbreekt.
|
De Slanke sleutelbloem is eveneens een typische bosplant van historische bossen. Hij groeit in vochtige tot natte bossen, vaak in gezelschap van andere voorjaarsbloeiers zoals Bosanemoon, Muskuskruid en Gevlekte aronskelk. Als het bos te donker wordt, zullen de planten echter ook minder bloeien. Ze profiteren dan ook van een hakhoutbeheer, waarbij het bos regelmatig gekapt werd voor de winning van brandhout. De plant vormt ook een dankbaar onderzoeksonderwerp voor ecologen. Ze verspreiden zich zeer langzaam omwille van hun zware zaden en zijn aan oude bosjes gebonden is. Daardoor vormt de soort een goede indicator om te bestuderen hoe soorten zich gedragen in een versnipperd landschap.
|
De Zwarte els is een donker uitziende boom die zo'n 30 m hoog kan worden. Typisch zijn de zwarte vruchtkegeltjes (elzenpropjes) uit vorige jaren en de paarsachtige, gesteelde knoppen. De brede, omgekeerd eironde bladeren en twijgen zijn in de lente nogal kleverig. Van nature komt hij voor op natte gronden, en je ziet hem vaak staan met de wortels in het water. Als de els gekapt wordt, verjongt de boom zich door opslag van nieuwe uitlopers. Zo ontstaat een meerstammige boom. Dat maakt dat hij uitstekend geschikt is voor hakhoutbossen. De wortels dragen knolletjes waarin symbiotische bacterieën luchtstikstof omzetten naar voedingsstoffen. Zo verrijkt de els zijn omgeving.
|
De meeste mensen kennen steenbreeksoorten van het gebergte of van siertuinen. De planten hebben meestal een wortelrozet en een rechtopstaande stengel met grote, witte bloemen. Knolsteenbreek is een sierlijke voorjaarsbloeier van historische graslanden. Aan de stengelvoet, net boven de grond, bevinden zich kleine knolletjes, die de soort haar naam geven. Dankzij deze knolletjes kan de plant zich ook vegetatief vermeerderen en is ze niet alleen van zaad afhankelijk. Knolsteenbreek verdwijnt bij te intensieve bemesting of ontwatering en is daardoor in Vlaanderen vrij zeldzaam geworden. In het Wijgmaalbroek komt ze nog voor in enkele vochtige graslanden en op de talud van de Dijlevallei.
|
De sleedoornpage is een oranjebruine, redelijk onopvallende dagvlinder. De achtervleugel heeft aan de onderzijde een oranje, witomrande streep. De belangrijkste waardplant is -jawel- de sleedoorn. De vlinder kan je van eind juni tot oktober waarnemen aan bosranden, kapvlakten en sleedoornhagen. Ze zijn soms moeilijk waar te nemen omdat ze hoog in in de kruinen rondvliegen. De eitjes, kleine witte bolletjes, kan je in de late herfst en winter aantreffen op sleedoorn. De rupsjes komen uit in de lente op het moment dat de sleedoornblaadjes ontluiken. Slechts een klein deeltje ervan zal uitgroeien tot een volwassen vlinder. Ze vormen een gewilde prooi voor veel vogels en andere insecten.
Het verspreidingsgebied van deze vlinder beperkt zich bij ons tot het zuiden van Vlaanderen en meer bepaald de Vlaamse Ardennen en de regio tussen Brussel en Aarschot. We kunnen gerust spreken van een zeldzame soort. Op de Vlaamse Rode lijst staat de sleedoornpage dan ook als bedreigd aangeduid. Het behouden van sleedoornstruwelen maar ook het onderhoud ervan -de eitjes zijn vaak te vinden op nieuwe jonge twijgen- is noodzakelijk om deze soort in onze regio te houden.
|
Januari-februari zijn ideale maanden om bosuilen te zoeken in Wijgmaalbroek. De mannetjes bakenen dan hun territorium af met een spookachtige "hoe-hoe-hoe"-zang, die ver door het bos weerklinkt. De roep is een schril "kewICK". Overdag kan je bosuilen herkennen aan hun zwarte ogen en hun bruine gezichtsmasker. Ze hebben ook geen oorpluimpjes zoals de Ransuil. Het zijn echte nachtdieren die vooral op muizen en vogels jagen. Ze kunnen zeer goed zien in het donker en hebben een zeer goed gehoor. Hun vleugels hebben zachte randen aan de handpennen. Hiermee kunnen ze bijna geruisloos vliegen en zo hun prooi verschalken. Bosuilen broeden in oude holle bomen, nestkasten, of oude roofvogelnesten.
|
De Zomertortel of Tortelduif lijkt op de zeer algemene Turkse Tortel, maar is een iets kleinere en schuwere duif. Je kan ze vooral herkennen aan hun oranjebruine vleugels, donkerdere staartpennen en hun roodomrande ogen. In tegenstelling tot de Turkse Tortel is de Tortelduif een trekvogel, die overwintert bezuiden de Sahara van september tot april.
De Zomertortel doet het niet zo goed. Tussen 1973 en 1985 werd het aantal broedparen nog geschat op 35.000 tot 50.000, maar tussen 1998 en 2000 was het aantal teruggelopen tot 10.000 à 12.000. Dat komt waarschijnlijk omdat het een geliefkoosde jachtvogel is in het Middellandse-Zeegebied (denk maar aan vogelvangst op Malta). Bovendien heeft de duif het moeilijk in een intensief landbouwgebied omdat er minder voedselsoorten (zaadjes en kiemplantjes, vooral van Duivekervel) aanwezig zijn. De Turkse Tortel heeft zijn intrede in België pas omstreeks 1952 gedaan. Hij is een nog grotere cultuurvolger en eet ook graag zaden en graantjes.
|
De Ijsvogel is een bontgekleurde vogel met een metaalglanzend blauwgroen verenpak met witte halsvlek en keel en roodbruine onderdelen en delen van het gezicht. Deze tekening maakt hem onmiskenbaar. Hij zit graag op een tak die over het water uitsteekt om van daaruit met een snelle duikvlucht een visje te verschalken. De vogel heeft een voorkeur voor traag stromende tot stilstaande wateren met een steile oever. Zoals de meeste leden van de Ijsvogelfamilie broedt hij in holen die hij zelf in een oeverkant uitgraaft. In België en Nederland is hij een zeldzame broedvogel die gedeeltelijk ook trekvogel is. Na de bijzonder strenge winter van 1963 werden er in België nog nauwelijks 25 broedende paren waargenomen. Door de zachte winters van de laatste jaren is hun aantal weer duidelijk toegenomen. In het Wijgmaalbroek is hij soms te zien langs de Dijle.
|
De Grote Gele Kwikstaart is de grootste kwikstaart, en de volwassen dieren vallen op door hun gele buik en grijze tot zwarte kin en keel. Zoals de andere kwikstaarten wipt ook de deze onophoudelijk met zijn staart. Deze vogel heeft een voorkeur voor snelstromende beken en rivieren. Ze jagen er op insecten, die opgepikt worden van het water of uit de lucht gevangen worden. Ze blijkt minder afhankelijk te zijn van een goede waterkwaliteit, dan wel van een sterke stroming. In Vlaanderen komen ze vooral voor langs kunstmatige stroomversnellingen. Daarom heb je het meeste kans om deze vogel te zien aan de Molen Van Doren, waar hij regelmatig broedt. Ook in de buurt van de grote poel kan je hem waarnemen.
|
De middelste groene kikker (Rana kl. esculenta) is een vruchtbare kruising tussen de grotere meerkikker en de kleinere poelkikker. In het Wijgmaalbroek worden de oudersoorten niet gezien. De groene kikkers vormen een "soortencomplex", waarbij de kruisingen meer of minder op één van de ouders lijken. De middelste groene kikker kan steeds een kruising vormen die lijkt op de oorspronkelijke kruising tussen de meerkikker en de poelkikker, zelfs als één van beide oudersoorten niet in de omgeving aanwezig is. Dat kan omdat de kikkers genetische informatie bijhouden van de afwezige oudersoort. Daarom wordt de bastaardkikker een klepton (kl., Grieks voor dief) geheten.
Ze worden 11 tot 12 cm groot. De bovenzijde van het lichaam is helgroen, grasgroen of blauwgroen met donkerbruine tot zwarte pigmentvlekken. Sommige dieren hebben ook een volledige of gedeeltelijke bruine bovenkant. De pigmentvlekken op de rug kunnen klein, zwart en cirkelvormig zijn zoals bij de kleine groene kikker of groot, bruin en met een onregelmatige vorm zoals bij de meerkikker. Groene kikkers zijn zeer sterk aan water gebonden, in tegenstelling tot bruine kikkers die vaker op het land te vinden zijn. Je kan groene kikkers het best onderscheiden van bruine kikkers door naar hun wang te kijken. De bruine kikker heeft een duidelijke donkerbruine vlek tussen de wang en het oor. Deze vlek ontbreekt altijd bij de groene kikker.
|
Deze salamander kan bijna 20 centimeter lang worden en is dus de grootste inheemse amfibie. De mannetjes krijgen in de waterfase/paarfase een grote kam op de rug. De iets grotere vrouwtjes zijn vaak olijfgroen tot bruin met een donkerbruine tot zwarte marmer- of vlekpatroon. De onderzijde van beide geslachten is gelig tot oranje met een patroon van zwarte vlekken. Het voedsel bestaat uit kleine visjes, wormen, slakken en insecten en de larven, die voornamelijk 's nachts gevangen worden want overdag verschuilt de salamander zich. Buiten de paartijd is hij veel op het land te vinden, bijvoorbeeld in de strooisellaag van het bos op zoek naar kleine ongewervelden. De salamanders trekken naar hun voortplantingspoel van midden maart tot eind mei. Tussen half juli en begin oktober trekken ze weer van het water weg. Kamsalamanders werden tot op 800 m van hun voortplantingspoel gevonden. Overwinteren doen ze zowel op het land als in het water.
Kamsalamanders vertoeven het liefst in open, kleinschalige landschappen met bospercelen, heggen en struwelen. Het voortplantingsbiotoop bestaat voornamelijk uit vrij grote, stilstaande wateren met een goed ontwikkelde onderwatervegetatie, hoewel ook wat kleinere wateren niet gemeden worden. De poel mag wel diep maar niet geheel beschaduwd zijn en moet permanent water bevatten. De soort is bedreigd, en is dus terecht een habitatrichtlijnsoort.
Ondanks het vergroten van de wateroppervlaktes worden er in het Wijgmaalbroek steeds minder salamanders waargenomen. Het veelvuldig voorkomen van stekelbaarzen is hier waarschijnlijk de oorzaak van, al zou de concurrentie van de steeds groter wordende groene kikkerpopulatie niet onderschat mogen worden.
| tips-opmerkingen? - 19 mei 2009 - credits |
|