Leuven, 15 juni 2005, Geert Sterckx
Onderstaande tekst geeft de opmerkingen van Natuurpunt Leuven op het ‘Milieubeleidsplan Leuven 2005- 2009. Een eerste deel geeft enkele algemene opmerkingen. In het tweede deel volgen opmerkingen op de verschillende thema’s volgens de volgorde in het milieubeleidsplan.
Vooreerst wil Natuurpunt stellen dat de stad Leuven op milieuvlak zaken wil realiseren en reeds gerealiseerd heeft. Leuven behoort duidelijk tot de betere leerlingen van de Vlaamse milieuklas. Positief is ook dat veel acties en doelstellingen betrekking hebben op de stadsdiensten. Op die manier kan men binnen de eigen organisatie bijdragen aan de realisatie van de doelstellingen, waardoor effectieve verbeteringen te verwachten zijn. We zijn verheugd dat de hoofdstad van de provincie Vlaams-Brabant hier een voorbeeldfunctie wil opnemen.
Natuurlijk kan een stadsbestuur niet alleen de vele milieuproblemen oplossen. Het milieubeleidsplan dient zich dan ook vooral te concentreren op de kerntaken op niveau van de gemeente en vooral hier concrete doelstellingen en acties aan te koppelen. Het milieubeleidsplan leest als een nobele waslijst vol goede bedoelingen, maar de stad Leuven zal zijn punten moeten scoren op het speelveld waarvoor het bevoegd is. En net op deze taken kan het milieubeleidsplan veel ambitieuzer zijn. Hieronder geven we een overzicht van de kerntaken en enkele belangrijke acties waarmee de stad Leuven volgens ons kan bijdragen aan een beter milieu.
| kerntaak | mogelijke realisaties (niet-limitatief) |
|---|---|
| 1. Integraal waterbeleid: actieve partner op deelbekkenniveau inzake beheer van regenwater, afvalwater en waterlopen. |
|
| 2. Handhavingsbeleid: handhaving van klasse II, III en niet-ingedeelde inrichtingen. |
|
| 3. Huishoudelijke afvalstoffen: eindverwerking van huishoudelijke afvalstoffen tot 2007, al dan niet gegroepeerd in intergemeentelijk verband. |
|
| 4. Open ruimtebeleid: uitvoerende en ondersteunende rol t.o.v. het Vlaamse niveau. Gemeentelijke initiatieven in kader van het GNOP, betrokken partij bij uitvoering van het gebiedsgericht bos- en natuurbeleid, Groenbeheer en beleid. |
|
| 5. Natuur- en milieueducatie: vooral uitvoerend niveau, gemeente kan ook zelf initiatieven ontwikkelen. |
|
| 6. Duurzame landbouw. |
|
| 7. Mobiliteitsbeleid |
|
| 8. Ruimtelijke ordeningsbeleid. |
|
De strategische doelstelling luidt ‘een ambitieus afvalbeleid, gericht op preventie’. Dit vertaalt zich echter niet in de plandoelstelling om de hoeveelheden restafval en selectief ingezamelde herbruikbare goederen te handhaven op het huidige niveau. Stilstaan is achteruitgaan. Een ambitieus beleid streeft naar een verdere reductie. Bij de in te zetten middelen moet men meer acties zoeken om afval te verminderen aan de bron, bijvoorbeeld stimuleren van afvalarm winkelen, gerichte acties naar scholen en bedrijven. Ook bij tal van evenementen zoals optredens, fuiven, happenings kan nog veel werk rond afvalpreventie gebeuren. De voorgestelde afvalreducties gaan vooral over de organische fractie en herbruikbare luiers. Dit kan meer open getrokken worden. Het stimuleren van afvalbewust en –preventief gedrag moet niet alleen focussen op de jeugd en studenten, maar naar alle lagen van de bevolking.
p 43. Milieuplan stelt dat waterbeheersing of natuurontwikkeling in vallei een voorname plaats krijgt, maar dat het werken in stedelijke omgeving ruimtebeslag moeilijk maakt. Dit moet echter genuanceerd worden. Ook binnen Leuven komen nog grote open ruimtegebieden in valleien voor, zoals de Dijlevallei, de valleien van Molenbeek in Heverlee en Kessel-lo, de Lemingbeek te Kessel-lo, ... Hier dient de stad maximaal te gaan voor het vrijwaren van de open ruimte.
Voor erosieproblemen wil de stad gebruik maken van een ad-hoc benadering. Nochtans bestaan er bodemerosiekaarten die voor gans Vlaanderen de bodemerosie per perceel inschatten op basis van helling, bodemgebruik en bodemtype. Dit maakt een preventieve en planmatige aanpak mogelijk, waardoor middelen efficiënter kunnen ingezet worden.
p.48 en verder: verbetering van kwaliteit van riolerings- en zuiveringsinfrastructuur: om de problematiek van verdunde effluenten en overmatige overstorten tegen te gaan dient de stad te streven naar een rigoureus beleid om zoveel mogelijk regenwater te laten infiltreren naar de bodem of te hergebruiken (o.a. groendaken, herwaardering lokale grachtenstelsels, afkoppelen van regenwater van riolering, doorlaatbare verhardingen, aanleg van regenwaterputten bij nieuwbouw of renovatie). Het stimuleren van het gebruik van regenwater kan ook de vraag naar drinkwaterwinning temperen.
p52 actie W16 ruimte voor water in centrale werkplaatsen: infiltratiezones voor regenwater kunnen ook ingepast worden in ecologisch parkaanleg, bijvoorbeeld in poelen of kiezelbeddingen.
p54 oppervlakkige ruimingen in beken: Natuurpunt ondersteunt dit maar benadrukt dat je dit moet vertalen in ruimtelijk beleid via een aangepaste bestemming. Wil men werkelijk het waterbergend vermogen verhogen en ruimte voor water creëren, dan zullen valleigronden vernatten. Ook herstel van meandering is een maatregel die het waterbergend vermogen verhoogt, maar ruimte vraagt. In beide gevallen zullen de gronden een aangepaste bestemming moeten krijgen om de ecologische en waterbeheersdoelstellingen te halen.
p57 project "water, levend door Leuven". Voor het project "De Dijle, levend door Leuven" spreekt men ervan om de rivier "meer voelbaar te maken door de stad". Dit is een vaag begrip. Of gaat men een gootje leggen boven de rivier zoals boven de Voer in de Fonteinstraat? "De Dijle, levend door Leuven" impliceert dat de rivier weer een natuurlijke verbinding vormt tussen de Dijle stroomopwaarts en stroomafwaarts van Leuven, en dat de rivier weer maximaal zichtbaar gemaakt wordt in de stad. Dit kan door het open leggen van de rivier en het verhogen van de belevingswaarde en ecologische waarde van de oevers. Op bepaalde plaatsen impliceert dit herstel van natuurlijke oevers en natuurlijke stapstenen. Op andere plaatsen zijn meer stedelijke oevers aangewezen onder de vorm van terrassen of wandelkades. Dit ambitieus stadsontwikkelingsproject kan alleen maar slagen als de stad zijn schouders onder een resultaatgericht project zet, in overleg met de bevolking , aanpalende grondeigenaars, waterbeheerders en projectontwikkelaars. Doelstellingen en RUP’s alleen zullen niet volstaan om dit te realiseren. Dit vergt ook financiële middelen en een sterke sturing door de betrokken overheden. Al deze opmerkingen gelden ook voor het Dijleproject in het thema natuur, bos en groen op p.72.
p57. Voor de versterking van de open ruimte rond waterlopen: belevingswaarde wordt niet alleen verhoogd door aanleg van paden en toegankelijkheid, maar eerst en vooral door verhogen van de landschappelijke en ecologische waarde.
Bij gebiedsgerichte acties "aankoop en inrichting van gebieden" worden vooral gebieden buiten de stad genoemd (Kesselberg, Begijnenbos, Dijlemeander,…). In de stad zelf kan ook nog veel gebeuren. Versterking van het netwerk van speelparkjes en groengebiedjes draagt bij aan de ecologische waarde en leefkwaliteit van de stad.
Bij de sensibilisatie en participatie van de bevolking kan ook het bevorderen van ecologisch tuinieren een belangrijke rol spelen. Hierbij zijn veel meer inwoners betrokken dan bij reservatenbeheer, haagplantacties of beheersovereenkomsten.
Ook soortenbescherming is een belangrijk aandachtspunt (bv. Hazelwormen aan de Keizersberg, zwaluwen in de stad, muurvegetaties op oude muren). Sensibilisatie is een mogelijke actie, maar ook bijvoorbeeld het laten inbouwen van dakpannen voor gierzwaluwen bij grote bouwwerken of het opleggen van voorwaarden bij verbouwingen van oude muren.
Bij Natuureducatie legt het MBP veel nadruk op de jeugd als doelgroep. Ook volwassenen vormen een belangrijke doelgroep met een belangrijke impact op het milieu en de natuur. Het zijn bovendien ook volwassenen die tuinen, parken en bossen inrichten en beheren.
De stad kan een belangrijke rol spelen in behoud en versterking van natuurwaarden. Concreet kan dit ook door
Bij de samenwerking en uitbouw van het draagvlak voor natuurbeleid zijn de lokale terreinbeherende NGO’s vergeten zoals Natuurpunt Leuven, de Vrienden van Heverleebos en Meerdaalwoud, de Vrienden van abdij van het Park. Dit zijn juist zeer belangrijke partners voor natuureducatie, wandelingen en terreinbeheer die in Leuven al veel zaken gerealiseerd hebben met medewerking van tientallen vrijwilligers.